Jalal ad-Din Muhammed Rumi werd geboren op 30 september 1207, waarschijnlijk in het stadje Wakhsh in de provincie Balkh, in wat nu Tajikistan is, destijds deel van Perzië. In het jaar dat hij geboren werd, werd zijn vader daar benoemd als geleerde. Toen hij nog een kind was vertrok zijn familie naar het Westen, mogelijk wegens lokale twisten of wellicht onder de dreiging van de komende Mongoolse invasie. Na vele reizen vestigden zij zich tenslotte in de Anatolische stad Konya, hoofdstad van het Seljuk Sultanaat Rum, wat lang daar voor het Romeinse deel van Anatolië was, in het huidige Turkije. Hier leefde Rumi het grootste deel van zijn leven. Rumi betekent "de Romein," dat wil zeggen, "uit Romeins Anatolië."
Rumi stapte in de voetsporen van zijn vader en voorvaderen - wetenschappers, theologen en juristen. Tot op de leeftijd van 37 jaar schijnt hij een conventionele leraar te zijn geweest onder koninklijke begunstiging. In 1244 ontmoette hij de rondtrekkende dervish, Shams van Tabriz. "Wat ik me voorheen had voorgesteld van God, ontmoette ik vandaag in een persoon." Deze herkenning versterkte en intensiveerde zijn geloof. Zijn gedichten zijn vervuld van een verlangen om de Vriend te zijn, de nabije spirituele aanwezigheid die hij voor het eerst zag in Shams, en later in Saladin Zarkub, de goudsmid, en nog later in zijn dienaar, Husam. Rumi stierf op 17 december 1273 in Konya. Gedurende de laatste dertig jaar van zijn leven werd hij een stralende ontvouwing van die herkenning, en de bron van de ontsteking daarvan in anderen.
Ga verder via het lees-verder-menu of sluit dit venster.
Je bent op een incomplete pagina terechtgekomen.
Wil je meer zien, bezoek dan mijn hoofdpagina of
ga direct naar het hoofdstuk
Jelaluddin Rumi.